Te moeten liegen tegen alles en iedereen dat je het leuk vindt om op vakantie te gaan – dat maakt ze beklagenswaardig. Want het is helemaal niet leuk. Het is rampzalig! Eerst moet je de tent testen. Zijn alle haringen er? De scheerlijnen a) compleet en b) niet gebroken? Trouwens, waar is de po gebleven? Hij staat niet op zijn vaste plekje op zolder achter de cv. Het is verdikkeme elk jaar hetzelfde. We gaan naar een viersterrencamping, zegt Jannie. Laat die po toch schieten. Nee, roept Jan vanuit de kelder, als jij straks ’s nachts moet plassen durf jij niet naar die viersterren toilethokken!
Al rond Antwerpen rijden ze zich hopeloos vast. En Antwerpen blijkt als je er in de file staat, een metropool van jewelste. Met Lille, Parijs of Lyon nog voor de boeg ontstaat kortsluiting in hun brein. Ze hebben airco, zeg je. No problem. Maar zie de raampjes maar eens dicht te houden met drie blèrende kinderen achterin.
Bij Breda waren ze al uitgegamed, klaar met hun ipod en ontaarde het vreedzame bankzitten in oorlog. Vader of moeder moet dan de auto wel op een zonovergoten P parkeren en proberen op zijn of haar eigen manier de rol van vrederechter geloofwaardig te spelen. Helaas denken ze allebei verschillend over die rol, zodat hen een kille eerste tentnacht wacht.
Stiekem droom ik er van niet op vakantie te hoeven. Gewoon thuis blijven. Een lege straat. Alleen de mussen tsjilpen in mijn dakgoot. Alle buren ergens in het snikhete zuiden. En ik lig in mijn hangmat met een longdrink en een goed boek. Denkend aan de vakantiestress die ik misgelopen ben. Al die medelanders dankend die zich stortten op de Route du Soleil jagend op hun vakantiedroom die ik hier in mijn eigen tuin dankzij hen gevonden heb.





