Een werkgever heeft, als kentekenhouder van de auto die aan de werknemer ter beschikking is gesteld, drie boetes ontvangen wegens snelheidsovertredingen. De werknemer had twee keer minder dan 10 km/u te hard gereden en één keer meer. De werkgever wil de boetes verhalen op de werknemer.
Oordeel
De rechtbank oordeelt dat het meer dan 10 km/u te hard rijden gelijk staat aan opzet of bewuste roekeloosheid, zodat de boete voor die overtreding voor rekening van de werknemer komt. De andere twee boetes komen voor rekening van de werkgever. De werknemer gaat in hoger beroep. Bij arrest van 12 mei 2006 formuleert het Hof “de gouden regel” dat bij snelheidsovertredingen van meer dan 10 km/u in zijn algemeenheid sprake zal zijn van opzet of bewuste roekeloosheid en bij minder dan 10 km/u niet. Daarop ging de werkgever in cassatie bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad
De vraag die de Hoge Raad moet beantwoorden, is of de werkgever boetes wegens snelheidsovertredingen van de werknemer kan verhalen op de werknemer. In 2001 oordeelde de Hoge Raad nog dat schade ten gevolge van betrekkelijk lichte verkeersovertredingen voor rekening van de werkgever dient te blijven en dus niet verhaalbaar is op de werknemer. Hij oordeelde destijds dat er bij lichte verkeersovertredingen geen sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de jurisprudentie volgt ook dat er zelden sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Alleen een handeling waarbij de werknemer direct voorafgaande aan die handeling wist of had moeten weten dat schade het gevolg zou zijn, valt in beginsel onder opzet of bewuste roekeloosheid. Hoe nu om te gaan met verkeersboetes?
Commentaar
De Hoge Raad overweegt dat het niet de bedoeling is dat de kentekenhouder het betaalde boetebedrag niet meer zou kunnen verhalen op de hem bekende bestuurder en derhalve zelf de boete zou moeten dragen. Dat blijkt ook uit de wetsgeschiedenis. Immers, de kentekenhouder kan in dat geval niet worden verweten dat een bestuurder een snelheidsovertreding heeft begaan. Ook geldt dat werknemers die in een auto van de zaak rijden, op gelijke wijze dienen te worden behandeld als werknemers die voor hun werk in hun eigen auto rijden. Deze werknemers moeten immers de door hen veroorzaakte verkeersboetes ook zelf dragen. De Hoge Raad oordeelt dan ook dat er bij betaling door de werkgever van het boetebedrag voor een overtreding waaraan de werknemer zich schuldig heeft gemaakt sprake is van omstandigheden die maken dat de werkgever de boetebedragen wel kan verhalen op de werknemer.
Conclusie
De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat de werkgever boetes, opgelegd voor snelheidsovertredingen door werknemers, wel kan verhalen op de betreffende werknemer. Met dit arrest verlaat de Hoge Raad zijn eerder ingenomen standpunt dat de werkgever opdraait voor dergelijke boetes, tenzij er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Ook komt de hiervoor genoemde “gouden regel” van het Hof met deze uitspraak te vervallen. De werknemer is dus gewaarschuwd, want het principe dat de overtreder betaalt, staat weer recht overeind.
Eva Knipschild Hoge Raad 13 juni 2008, LJN BC8791
Meer interessante en relevante jurisprudentie vindt u in Rechtspraak voor Medezeggenschap.












