Feiten
Binnen de onderneming bestaat al dertig jaar een ondernemingsraad. In 2002, ten tijde van de afloop van een zittingsperiode, is de onderneming overgegaan tot het instellen van een vrijwillige ondernemingsraad. Deze is in 2005 gecontinueerd. Als de ondernemingsraad in 2008 verzoekt om verkiezingen, stelt de ondernemer zich op het standpunt dat sprake is van een belangrijke wijziging van omstandigheden en dat de vrijwillige OR moet worden opgeheven. Wel is hij bereid een personeelsvertegenwoordiging in te stellen. De OR vordert in kort geding opschorting van het besluit om de OR op te heffen.Kantonrechter
Voor opheffing van de OR is een belangrijke wijziging van omstandigheden noodzakelijk is. De aangevoerde wijzigingen bestonden al en het is niet duidelijk waarom die tot opheffing van de OR moeten leiden. Duidelijk is ook dat de OR een belangrijke rol speelt in de onderneming. Zowel de OR als een groot deel van het personeel heeft zich over het voortbestaan van de OR uitgesproken, terwijl vaststaat dat niemand zich voor de verkiezingen van de personeelsvertegenwoordiging kandidaat heeft gesteld.Daardoor zou er na afloop van de zittingstermijn geen medezeggenschap meer in de organisatie aanwezig zijn. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest het opheffen van een vrijwillig ingestelde ondernemingsraad gemakkelijk te maken. De bereidheid van de directie het personeel middels personeelsbijeenkomsten te horen, heeft een te vrijblijvend karakter. Bovendien is gebleken dat er op korte termijn belangrijke items op tafel komen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een belangrijke wijziging van de omstandigheden die de opheffing van de OR zou rechtvaardigen.












