Twee werknemers van FNV Bondgenoten zijn een procedure gestart tegen hun werkgever. Zij vorderen dat de oude regeling ‘Mobiele werkvoorzieningen’, die binnen FNV Bondgenoten van toepassing was tot 31 december 2009, op hen van toepassing zal blijven. Zij menen dat FNV Bondgenoten hen eerst om individuele instemming had moeten vragen. Bovendien is er geen eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen in hun arbeidsovereenkomsten. De werknemers menen dat hun werkgever daarom de regeling niet eenzijdig had mogen wijzigen.
FNV Bondgenoten stelt dat de instemming van de individuele werknemers geen vereiste is, omdat de bevoegdheid om arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen in de FNV-cao aan de ondernemingsraad is gedelegeerd. Daarnaast voert zij aan dat zij een zwaarwichtig belang had bij het wijzigen van deze regeling, omdat dit een grote (noodzakelijke) kostenbesparing met zich mee heeft gebracht.
Oordeel kantonrechter
Volgens de kantonrechter blijkt uit de door FNV Bondgenoten overgelegde correspondentie dat de ondernemingsraad ongeclausuleerde instemming met de voorgenomen wijziging van de regeling heeft verleend. Voorts had Bondgenoten volgens de kantonrechter een zwaarwichtig belang – de kostenbesparing – om de regeling te wijzigen. De vorderingen van de werknemers worden afgewezen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.
Commentaar
Een werkgever kan zich het recht voorbehouden eenzijdig wijzigingen door te voeren in de arbeidsvoorwaarden van zijn werknemers. Dit kan hij doen door een eenzijdig wijzigingsbeding zoals bedoeld in artikel 7:613 BW op te nemen in de individuele arbeidsovereenkomst. Een dergelijk beding kan echter ook worden opgenomen in een collectieve regeling. Dit is in de onderhavige cao het geval. De werkgever moet wel altijd aantonen dat hij een zwaarwichtig belang bij de wijziging heeft. In dit geval hecht de kantonrechter veel waarde aan de instemming van de or, nu die is opgenomen in de cao en bovendien gebleken is dat de or uitvoerig onderzoek heeft gedaan alvorens in te stemmen. Je kunt je echter afvragen of de or de individuele werknemer zomaar kan binden. Voor de werkgever is het een voordeel als hij zich op de instemming van de or kan beroepen, maar er zijn ook uitspraken die er juist van uitgaan dat de or de individuele werknemers niet kan binden. Dan is de instemming van de or dus niet voldoende. In dit geval hecht de kantonrechter waarde aan het feit dat de cao-partijen enerzijds hebben afgesproken dat enkele onderwerpen, waaronder de onderhavige telewerkregeling, aan het overleg tussen ondernemer en de or zijn overgelaten, en anderzijds dat de werknemers de rechtsgeldigheid van deze constructie niet hebben bestreden. In dit geval is daarnaast ook het zwaarwegende belang aangetoond, zodat in ieder geval op grond daarvan al wijziging mogelijk was.
Kantonrechter Utrecht, 23 maart 2011
Auteur: Inge Hofstee
Meer interessante en relevante jurisprudentie vind je in Rechtspraak voor Medezeggenschap.












