Sinds Europees aanbesteden verplicht zijn, vechten de vijf grootste schoonmaakbedrijven (Asito, CSU, GOM, HAGO, ISS) de jacht op contracten uit op het vlak van de loonkosten. De schoonmakers lijden onder deze moordende concurrentie. Naast een laag salaris zijn hun voornaamste klachten: geen of onwaardige omkleed- en pauzeruimte; geen toegang tot de bedrijfskantine van de klant en onvoldoende werkkasten. Bovendien voelen schoonmakers zich ’s avonds onveilig in een kantoorpand. En ze moeten dubbel zoveel oppervlak schoonmaken dan tien jaar geleden; in dezelfde tijd en met minder mensen.
Onder druk van acties, stakingen en publiciteit werd dit jaar een nieuwe cao met een kleine loonsverhoging overeengekomen. Maar er valt nog een wereld te winnen. ‘In de samenleving is er een gebrek aan waardering voor iedereen die onderaan de maatschappelijke ladder bungelt’, vindt Nico Beekhuijs, or-voorzitter van GOM Schoonhouden. Hij wijst op de enorme drang in de schoonmaakbranche om een euro te verdienen. ‘Opdrachtnemer en opdrachtgever praten bovendien te weinig over hoeveel werk je in een bepaalde tijd kunt doen. Ze kijken naar vierkante meters en niet wat allemaal schoongemaakt moet worden. Opdrachtgevers geven liever zo weinig mogelijk uit in plaats van een zo gezond mogelijke werkomgeving voor hun personeel te scheppen.’
Ton van de Ven, cor-voorzitter bij CSU, merkt dat opdrachtgevers ook intern vergeten over schoonmaak te communiceren. Bijvoorbeeld als het werkprogramma is uitgekleed na een herinschrijving (waarbij onder een nieuw contract dezelfde schoonmakers kunnen worden overgenomen door een ander schoonmaakbedrijf). ‘Schoonmakers komen langs de plint binnen. Tegen die tijd verlaat de reguliere werknemer het pand.’ Logisch dat ze elkaar niet kennen. Van de Ven pleit daarom voor meer contracten tijdens kantooruren. Dat vermindert de anonimiteit van de schoonmaker en verbetert diens veiligheid.
De binding tussen schoonmakers, werkgever en klant is vaak gering. Dat komt deels door de korte contracten. Die zijn volgens Hans van Schoor, cor-voorzitter bij Asito schoonmaak, teruggelopen van tien tot gemiddeld vier jaar. Anderen noemen contracttermijnen van drie of een jaar. Nico Beekhuijs van GOM wijst naar de bemiddelingsbureaus die de tenders uitschrijven. Met rekenmodellen overtuigen ze hun opdrachtgevers van het voordeel van regelmatige herinschrijvingen. De belangen van schoonmakers worden voor het gemak vergeten, want voor de tenderbureaus rinkelt bij elke contractwisseling de kassa.
Volgens de meeste medezeggenschappers praat ‘hun’ bedrijf met de klant als de arbeidsomstandigheden tekortschieten. Maar ze erkennen dat dit te weinig gebeurt. Klanten stappen gemakkelijker dan ooit over naar een ander schoonmaakbedrijf. De slechte arbeidsomstandigheden betreffen de hele branche, zoveel is duidelijk. Een branchebrede oplossing is daarom gewenst. Het landelijk overleg ondernemingsraden schoonmaak (LOOS) leidt een sluimerend bestaan. De meeste medezeggenschappers vinden de branchevereniging OSB de aangewezen partij om de neerwaartse spiraal te doorbreken. Daarvoor moeten de huidige tarieven op de schop. Een landelijke databank die de loonkosten inzichtelijk maakt zonder de tarieven vast te leggen – want dat mag niet meer – zou helpen.













